CETA: Wie gaat de norm in de wereldhandel bepalen?

Als wij in de toekomst zelf de norm willen blijven bepalen in de wereldhandel, zullen wij allianties aan moeten gaan met gelijkgezinde partners. In een snel veranderende wereldeconomie willen wij toch niet dat landen als China en India de standaarden van onze producten gaan bepalen? Hun standaarden zijn in mijn ogen vaak onvoldoende voor de bescherming van mens en milieu. Handelsverdragen met partners die op dezelfde lijn zitten als wij zijn daarom belangrijker dan ooit. Canada is zo’n partner. Toch stroomde mijn mailbox de afgelopen maanden vol met berichten van tegenstanders van het nieuwe handelsverdrag tussen de EU en Canada: CETA. Volgende week is het Europees Parlement aan zet om een oordeel te vellen over dit handelsakkoord en het leek mij dan ook een goed moment om aan jullie uit te leggen waarom ik een voorstander van dit verdrag ben. Hier een aantal feiten op een rij:

Handelslanden zullen er van profiteren

Handelsverdragen dragen bij aan onze economische groei. Neem het verdrag met Zuid-Korea bijvoorbeeld. Binnen vier jaar tijd is de Europese goederenexport richting Zuid-Korea met 55 procent gestegen, voor diensten was dit 40 procent. Als je je bedenkt dat iedere miljard euro aan extra export goed is voor gemiddeld 14.000 banen, kan een vrijhandelsverdrag met Canada een ware banengenerator worden genoemd. Al met al is de verwachting dat de Europese welvaart met 12 miljard zal groeien, voor Nederland zal dit 1,2 miljard zijn. Dit geld moet natuurlijk niet alleen in de broekzakken van multinationals eindigen, maar ook van het midden- en klein bedrijf – niet onbelangrijk aangezien 99% van de bedrijven in Europa minder dan 250 werknemers heeft.
 
Lagere importtarieven
Ook wordt 99 procent van de importtarieven verlaagd, iets waar zowel Europese als Canadese importeurs én consumenten van zullen profiteren. De prijzen van Canadese producten in de EU worden immers zo een stuk lager. Aan de andere kant krijgen Europese bedrijven straks een relatief voordeel op de Canadese markt, ten opzichte van vergelijkbare bedrijven uit andere delen van de wereld.
 
Europese standaarden worden gewaarborgd
Velen hebben mij ook de terechte vraag gesteld of deze Canadese producten niet onze Europese standaarden – een van de strengste ter wereld – zouden uithollen. Ik begrijp deze zorgen volledig, want we willen toch niet dat wij straks de producten in onze supermarkten niet meer kunnen vertrouwen? Wij moeten echter de Canadese regelgeving niet onderschatten, ook deze standaarden liggen behoorlijk hoog. Daarnaast zijn de EU en Canada in CETA met elkaar overeengekomen dat zij elkaars certificaten erkennen. Op deze manier hoeft bijvoorbeeld een Nederlandse bloemenexporteur zijn bloemen (Nederland exporteert jaarlijks 9 miljoen euro aan bloemen naar Canada) maar één keer te laten testen. Dit scheelt heel wat kosten en papierwerk.
 
Onze streekproducten zijn veilig
Onder CETA worden ruim 140 Europese streekproducten beschermd. Goudakaas die in de Canadese supermarkten wordt verkocht, mag alleen de naam Gouda Holland dragen als die ook daadwerkelijk in Nederland is gemaakt. Het wordt daarom een stuk lastiger voor producenten in Canada om onze Nederlandse producten na te maken en onder hun oorspronkelijke naam te verkopen.
 
Dienstensector is erbij gebaat
De Europese exportmotor draait niet alleen op goederen, integendeel, dienstenverlening is goed voor maar liefst driekwart van de Europese export. Ook dit is onderdeel van CETA, waardoor de exportpositie van Europese dienstverleners in Canada sterk verbetert. Dit is vooral van belang voor de telecomsector, de financiële sector en de scheepvaart. Ook spoort het handelsverdrag Europese landen en Canada aan om elkaars diploma’s en certificaten te erkennen; dit geldt onder andere voor de beroepsgroepen van architecten, accountants en ingenieurs.
Dit alles lijkt mij genoeg reden om voor CETA te kiezen.
 
EdL